Rechtbank discrimineert vrouwen bij letselschadevergoeding

9 maart 2014

Het Proefprocessenfonds Clara Wichmann steunt een jeugdig verkeersslachtoffer in het aanvechten van een vonnis van de rechtbank Den Haag. De rechtbank maakt in haar vonnis een verboden onderscheid naar geslacht bij het vaststellen van de letselschadevergoeding. 

 

Een meisje van Turkse afkomst wordt op 10-jarige leeftijd als overstekende voetganger aangereden door een motorrijder. Als gevolg van dit ongeval loopt zij hersenletsel op waardoor zij arbeidsongeschikt is. Aangezien er geen overeenstemming wordt bereikt over de schade-afwikkeling met de verzekeraar van de motorrijder, wordt een deelgeschil voorgelegd aan de rechtbank Den Haag. In een beschikking oordeelt de rechtbank dat het redelijk is te veronderstellen dat het slachtoffer, als vrouw in Nederland en gegeven haar culturele achtergrond en persoonlijke omstandigheden, rond haar 26e levensjaar kinderen zou hebben gekregen en in verband met de geboorte van haar kinderen, gedurende 10 jaar niet zou hebben gewerkt en vervolgens vanaf haar 36e levensjaar tot haar 67e levensjaar 50% werkzaam zou zijn geweest. De rechtbank baseert dit op statistische gegevens. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat slechts een kleine groep vrouwen na de geboorte van kinderen fulltime blijft werken en derhalve de verzorging en opvoeding van die kinderen voor een belangrijk deel aan derden over laat, terwijl niet is onderbouwd dat het slachtoffer tot deze kleine groep vrouwen behoort.

Uit het rapport “Onderscheid naar geslacht bij de vaststelling van letselschade. Een verkennend onderzoek.” van de Commissie Gelijke Behandeling (nu College voor de Rechten van de Mens) uit september 2012 blijkt dat stereotype beelden vrouwen in een verslechterde bewijspositie brengt. Zij moeten bewijzen dat zij niet voldoen aan het stereotype beeld. Dat is in hun nadeel.

Het Proefprocessenfonds Clara Wichmann vindt dat de rechtbank discriminerende aannames doet op basis van seksestereotypen. Daarnaast vindt het fonds dat de rechtbank in de beschikking de bewijslast dat het slachtoffer niet voldoet aan het stereotype beeld van een (niet of parttime werkende) vrouw eenzijdig bij het slachtoffer neerlegt. Daarbij houdt de rechtbank geen rekening met signalen in de arbeidsparticipatie van vrouwen in de toekomst.

De familie van het slachtoffer bereidt een bodemprocedure voor om het vonnis aan te vechten. Zij worden in de rechtsgang gesteund door het fonds.